Boon & Wellens | Liever geen quotumvrouwen, dat zijn wandelende ongelukken



Dinsdag 3 december 2019, een inktzwarte dag voor de gelijkheid tussenmannen en vrouwen. Op deze dag stemde de Tweede Kamer in met een motie van het CDA en D66 voor een verplicht vrouwenquotum voor de raden van commissarissen van beursgenoteerde bedrijven. Ten minste 30% van de commissarissen in het bedrijfsleven dient volgens dit quotum vrouw te zijn.

Een schande voor de hardwerkende, zelfverzekerde, vrouw, vol met kwaliteiten. Waarom is dat zo? Ten eerste staat een quotum gelijkheid juist in de weg. Primair bij het invullen van een positie zou moeten zijn dat de persoon de juiste kwaliteiten heeft, door het invoeren van een quotum wordt dit echter een secundaire factor. Geslacht kan vanaf nu de primaire factor zijn bij het invullen van een positie. Er zal altijd getwijfeld worden of een vrouw is aangenomen vanwege haar vermeende kwaliteiten of dat ze op een positie is gezet omdat ze het juiste geslacht heeft. Het is een ondermijning van het kunnen van de vrouw om haar te degraderen tot een quotum-figuur. Ook is het zeer vernederend voor de vrouwen die wél aangenomen zijn om hun kwaliteiten.

Naast dat een vrouwenquotum de emancipatie van de vrouw juist in de weg staat en zorgt voor achteruitgang in plaats van vooruitgang, is het ook nog eens onwijs discriminatoir. Wanneer een man solliciteert voor een functie, voldoet aan alle vereisten, en een uitmuntende persoon is voor de baan, bestaat de kans dat hij verstoten wordt door een ‘quota-vrouw’. Dat deze quota-vrouw misschien wel minder geschikt is voor de baan, maakt op dat moment niet meer uit. Discriminatie van de man is geboren. Vroegere discriminatie oplossen met nieuwe discriminatie, dat kan toch nooit de juiste manier zijn?

Daarnaast verwarren veel mensen de verschillende aspecten van de discussie. Met een quotum bereikt men dat er steeds meer gelijke uitkomsten ontstaan, terwijl het zou moeten gaan om het bestaan van gelijke kansen. Het hebben van gelijke kansen hoeft namelijk niet automatisch te leiden tot gelijke uitkomsten, een quotum wil deze uitslag geforceerd wel bereiken. Verder lijkt het erop dat dergelijke quota alleen gelden voor de leuke, prestigieuze baantjes. We hebben nog niemand horen zeuren over quota voor loodgieters, stratenmakers en vuilnismannen/vuilnisvrouwen. Als je consequent wil zijn dan zorg je ervoor dat ook voor dergelijke beroepen quota bestaan.

Het wel en wee van eerdere quotumvrouwen stemt trouwens weinig hoopvol. Neem de geschiedenis van de vroegere plaatvervangend commandant van de Marechaussee, Hillie Beentjes. Van 1986 tot 1998 heeft deze Rotterdamse bedrijfskundige verschillende banen bij het Ministerie van Justitie. Dan is ze twee jaar beleidsmedewerker bij Volksgezondheid en van 2001 tot 2008 zit ze bij Financiën. Ze vervult haar rol met verve, dus in 2005 wordt ze hoofd begrotingsbeheer maar in 2008 stapt ze al over naar Defensie, waar ze zich ook op de boekhouding stort. In 2012 moet er een nieuwe plaatsvervangend commandant bij de Marechaussee worden benoemd en zonder dat ze ooit een houten pistool heeft vastgehouden of maar een rotje kan afsteken, bombardeert het Ministerie van Defensie haar tot brigade-generaal. Zelf zegt ze daarover:

'Ik ben opgegroeid in Ermelo. In die tijd waren daar veel militairen gelegerd. Toch er nooit over nagedacht om ook zelf militair te worden. Overigens heeft mijn zwager wel KMA gedaan en is hij een jaargenoot van Hans Leijtens [de commandant van de Marechaussee en dan haar direct leidingegevende, red.]. Ik heb bedrijfseconomie gestudeerd. Niet met de bedoeling het bedrijfsleven in te gaan. Ik heb altijd graag bij een non-profit organisatie of de overheid willen werken.'

In het tijdschrift Marechaussee Contact zegt ze verder:

'Ik heb de afgelopen jaren ervaren hoe leuk het is om bij de KMar te werken. Als ik zie hoe professioneel we onze taken doen dan ben ik trots. Dat neemt niet weg dat we ons moeten blijven ontwikkelen. Daarom hebben we de ontwikkelagenda opgesteld. De inbreng uit alle lagen van de organisatie is daarin meegenomen.'

Zelfs de grootste feminist kan zien waar dat spaak zal lopen. Een persoon (man of vrouw, dat maakt niet uit) mag een paar decennia aan werkervaring overslaan en kan zich dan van de ene dag op de andere ‘generaal’ noemen en anderen een 'ontwikkelagenda' onder de neus schuiven. Haar ondergeschikten noemden deze hyperpromotie ‘bizar’, helemaal omdat het tekort aan ervaring met een cursus van een week werd opgevangen. Beentjes is zonder twijfel een goede directeur planning en control, dat maakt niet dat ze ervaren genoeg is om ineens mensen tijdens een gevaarlijke militaire operatie aan te sturen. Zo’n benoeming moet de verhoudingen wel verstoren, dus na twee jaren van teleurstelling zat de ‘burgergeneraal’ weer thuis op de bank. Inmiddels doet ze gelukkig weer waar ze wel goed in is, sinds vorige zomer heeft ze een financiele topfunctie bij Verkeer en Waterstaat. Aan de inzet van Beentjes zal het niet hebben gelegen, maar geen enkele organisatie accepteert een leidinggevende die, ondanks het gebrek aan ervaring, iedereen inhaalt in de strijd om een promotieplek, om geen andere reden dan het geslacht. Haar benoeming moest wel in een drama eindigen, wat een afgang voor de vrouw.

Positieve discriminatie (om welke reden dan ook) kan dus makkelijk tot een verstoorde sfeer op de werkvloer leiden. Het zou dan enorm helpen, als er dan hard empirisch bewijs is in het voordeel van het principe van het vrouwenquotum. Dat is niet te vinden. Uit eerdere literatuur valt niet op te maken dat quota-vrouwen de bedrijfsvoering significant verbeteren. Een Italiaanse studie laat zien dat bedrijven die wel meer vrouwen in de Raad van Commissarissen opnemen, beter in het nieuws komen. Dat heeft een minimaal gunstig effect op de stabiliteit van de beurskoers maar daar blijft het bij. Het kan bijvoorbeeld niet worden aangetoond dat bedrijven het door de quotumvrouwen ook echt beter draaien. Daarbij mogen we niet onvermeld laten dat het vrouwenquotum een recent verschijnsel is en het dus aan brede, meerjarige studies ontbreekt. De voorstanders van het vrouwenquotum beschikken zo bewezen niet over harde cijfers, waarmee ze de tegenstanders kunnen imponeren.

Een vrouwenquotum is dus de uitkomst van politiek wensdenken zonder inhoudelijke onderbouwing. Dat zal tot een toestroom aan quotumvrouwen leiden, die razendsnel carrière maken bij bedrijfsleven en politiek. De kans is groot dat deze nieuwe breke-Beentjes het imago van de vrouw als leidinggevende alleen maar beschadigen. Daar is geen enkel doel mee gediend en de tienduizenden kundige jonge vrouwen die elk jaar uit de collegebanken rollen, worden dan ook alleen maar gehinderd door het onpraktische, ideologische wensdenken rondom het vrouwenquotum.